Bouwen en verbouwen in de stad Groningen
Groningen wordt in 1040 voor het eerst genoemd, als villa Cruoninga. Sinds 1614 heeft de stad een universiteit, en het onderwijs bepaalt nog altijd wie er woont: in het hoger onderwijs studeren hier ruim 60.000 mensen. Eeuwenlang bleef de stad binnen haar wallen. Pas toen de Vestingwet van 1874 een eind maakte aan de vesting, kon Groningen groeien, eerst met de Oosterpoort en de Herewegbuurt.
Na de oorlog kwamen de grote uitbreidingen aan de noordkant: Selwerd, Paddepoel en Vinkhuizen, met veel flats. In de jaren zeventig volgden Lewenborg en Beijum aan de oostkant. Sinds 2019 horen Haren en Ten Boer ook bij de gemeente, die nu ruim 244.000 inwoners telt.
Van de ruim 125.000 woningen is 59 procent een huurwoning, en ruim 35.000 daarvan zijn niet van een corporatie maar van andere verhuurders (CBS, 2025). Ruim zes op de tien zijn flats, appartementen of bovenwoningen. Dat maakt het werk anders dan in de dorpen rond Veendam: vaker afbouw in kleine ruimtes, en vaker een gevel van een ouder pand die aandacht vraagt.